De volgende dag word ik wakker met zicht op de Indische oceaan. Mijn bed zakte wat door, de airco koelt matig. “Door de ligging komen hier vooral locals, de standaard ligt lager”, verklaart Ardi. Het is tijd voor actie: het doel waar ik uiteindelijk voor kwam. “Heb je je documenten bij de hand?”, check ik nog even. Na een betekenisvol knikje lopen we naar buiten. Wat een warmte hier… Gelukkig staat Indrah klaar met onze auto en heerlijke airco.
Ardi heeft iemand benaderd over de ligging van Santeong, de vermoedelijke begraafplaats. Vanaf mijn plekje achterin zie ik het straatbeeld voorbijkomen. In alle rust, ondanks het onzekere avontuur: ik vertrouw mijn team. De auto mindert snelheid om af te slaan. “Jalan Santeong…”, lees ik hardop een straatbordje voor (vertaald: Santeong straat). “Yes, we’re there”. We rijden het smalle, rommelige straatje in. Tot we niet verder kunnen. Voor me zie ik wat graven, maar niets dat ik herken als een begraafplaats. Ook zie ik een aantal huizen en een heuvelrug. Aan de straatkant zit een groepje mannen, Ardi stapt uit en loopt op hen af.
Vanuit de auto zie ik ze praten en onze kant uit komen. Voor Indrah en mij ook tijd om uit te stappen. Ik versta niets van wat gezegd wordt, maar heb alle vertrouwen in Ardi. En dan begrijp ik dat een van deze mannen beheerder is van de begraafplaats. Van binnen voel ik een stroompje hoop… De beheerder: die zo belangrijke man waar ik tijdens mijn voorbereidingen in Nederland over heb gehoord.
Als Ardi hem mijn documenten laat zien, wijst hij naar het huis voor de heuvel iets verderop. We staan er met z’n allen voor en hij roept iemand. Dan zie ik een vrouw naar ons toelopen. Ardi kijkt me aan en zegt: “Zij is familie van jou”. Ik kijk hoe ze naderbij komt en bestudeer nieuwsgierig haar uiterlijk. Familie van mij…?! In Indonesië, in deze zó lastig te bereizen plaats aan de Indische oceaan? We wisselen een wat onwennige, maar warme hand uit. “Ai”, stelt ze zichzelf voor.
Ardi vertelt haar waar ik voor ben gekomen. Na overleg gaan we eerst de begraafplaats op. We lopen richting haar huis waarnaast een steile, stenen trap is. De treden zijn hoog en ongelijk, er is niet altijd een leuning. Daar ontvouwt zich een voor mij onbekende wereld: met graven, groot en zo anders dan ik ken; met ertussen huizen, en aan waslijnen of op graven kleding. De weg slingert omhoog en is geregeld met groene takken bezaaid. Tot het groepje stil staat.
“Dit is het graf van Lim”. Hier herken ik iets bekends van foto’s, een ervan heb ik zelfs in mijn documenten. Wat is het anders om live de omvang, uitstraling en omgeving te ‘voelen’. Lim is mijn stiefovergrootvader. Dankbaar hef ik mijn armen in de lucht, nu ik iets een beetje eigens heb gevonden. Mijn team maakt foto’s. Het groepje praat, zonder dat ik hen kan volgen.
Na een korte pauze gaan we verder, nu afdalend, naar een ander gedeelte van de begraafplaats en met eenzelfde soort pad. Onderweg staan we stil bij het eigen, grote familiegraf van Ai. Ook passeren we een opvallend ander familiegraf: immens groot en rijkgekleurd. Gelukkig zijn hier veel ‘zitplekken’ en kunnen we weer even pauzeren. Want het is wel heel warm, ook met al dat geklim. Als ik weer wat ben afgekoeld vervolgen we onze weg en wijst Adri even verderop naar een ander graf: “En dit is het graf van jouw overgrootvader”.
Geen armen omhoog, maar stilte en verstilling. Is dit Chinese graf van míjn overgrootvader? Ik buig me voorover en volg met een vinger zachtjes de lijnen van een ingekerfd Chinees teken. En wat is er achter de plaquette? Ik klauter op het graf en zie daar een langwerpige, ovaalvormige stenen rand, van binnen overwoekerd met gras. Als ik weer terug ben aan de voorkant voel ik de ongekende rust in mijn lijf: het is echt waar… Ik leg mijn handen op de steen en sluit mijn ogen, in overgave aan mijn wortels.
