Het is de derde keer dat ik dit stuk vlieg: Jakarta – Medan. In mijn eentje, deze keer. Het voelt avontuurlijk anders. Om mij heen zitten vooral locals. Tijdens mijn eerdere vluchten vast ook, maar is me toen niet opgevallen. Mijn aandacht gaat echter uit naar een ander, veel groter avontuur: ik ga pogen iets eigens te vinden. Een zoektocht die ik goed heb voorbereid, desondanks voelt de uitkomst ongewis. Nu het zover is, kan ik het alleen nog maar laten gebeuren. Uit de intercom hoor ik een stem die de landing aankondigt. Mijn in between tijd zit erop, het gaat nu echt beginnen.
Gelukkig herken ik nog vaag iets van de luchthaven. Mijn scannende ogen spotten de borden Arrivals, die ik zoekend volg. Totdat mijn oog valt op iets wel heel erg bekends: mijn naam, handgeschreven op een bordje omhoog gehouden door een vriendelijk ogende man. “Ardi”, stelt hij zichzelf voor. Deze volbloed Indonesiër is komende week mijn gids. Zijn Engels is gelukkig redelijk goed. Samen lopen we naar buiten. Daar tref ik een ruime auto aan met chauffeur. “Indrah”, mijn andere metgezel deze week. Ze laden mijn bagage in, openen de deur voor me en daar gaan we. Ik achterin, riant de hele achterbank voor mijzelf.
Kletsen kan, maar hoeft niet, merk ik al snel. Van mijn metgezellen is Ardi degene die praat. Hij blijkt Batak, mijn chauffeur Javaans. “Bataks zijn ‘hard voice’, Javanen zijn ‘low voice’”, omschrijft hij. Ik vertel kort over mijn roots in Nederlands-Indie, over mijn doel deze week en dat ik morgen wil starten met een briefing. Ardi luistert prettig naar mijn wensen. Ik voel me gehoord. So far, so good.
Na ruim een uur draaien we de oprijlaan op van het hotel in Medan, waar we eerder als groep startten. Zo vertrouwd, opnieuw mooi en tegelijk nu volkomen anders. Mijn gids checkt mij in, loopt met mijn bagage mee naar mijn kamer. Ik geniet ervan om zo gefaciliteerd te worden. Vóór zij vertrekken, spreken we af morgen om met z’n drieën te ontbijten. De rest is het nu aan mij: nog even wat schrijven over mijn dag, alvast mijn documenten klaarleggen en avondeten.
Op de afgesproken tijd zijn daar de volgende dag inderdaad mijn metgezellen. Bij het buffet verzamelen we ons ontbijt en zoeken we een rustige tafel. En dan haal ik mijn enveloppe en documenten tevoorschijn. Mijn kostbaars, wat ik in Nederland door de jaren heen heb verzameld. Ik neem ze mee in wat mijn doel is: het graf vinden van mijn Chinese overgrootvader. Want: hoe kan ik hier ‘in de buurt’ zijn en deze poging níet doen? Om het verhaal dichterbij te brengen en te verduidelijken laat ik een stamboom zien en wat foto’s. Ze luisteren aandachtig, Ardi maakt aantekeningen. “We’re detectives and this is our mission”. Het kwartje is gevallen bij hen. Ik ben niet meer alleen in mijn zoektocht, maar heb een team aan boord.
Het is tijd om te vertrekken. Mijn team en ik, off we go! We hebben een lange reis voor de boeg om van de oost- naar de westkust en een stukje zuidelijker te komen. Een deel herken ik van wat ik met de groep reed. Met Ardi heb ik interessante gesprekken over ons gezamenlijk verleden: de koloniale tijd. Indrah luistert in stilte. En dan slaan we af.
De weg wordt steiler, de bochten scherper. Er lijkt geen eind aan te komen. We stoppen zelfs extra voor Ardi (deze weg doet locals blijkbaar soms toch nog groen en geel zien🫣). Op een prachtig uitkijkpunt zien we in de verte aan zee ons doel liggen. In het donker rijden we door een hand gegraven tunnel, zonder verlichting en met jonge kinderen die er voor een klein fooi gidsje spelen. Ik geniet tot in mijn vezels van de afwisseling, de uitzichten en van het avontuur dat me te wachten staat.
En dan rijden we Sibolga binnen. We zijn aangekomen in het epicentrum van mijn reis…
