De dag erna is het tijd voor actie. We gaan op pad voor een jungletocht. In alle vroegte om de hitte voor te zijn. Onder begeleiding van een Indonesische gids en met houten stokken ter ondersteuning, nodig na heftige regenval gisteravond en daardoor glibberigheid van de paden. We staan geregeld stil en verwonderen ons over de enorme variëteit aan groen, hoge bomen, struiken en lianen. We treffen het en zien aardig wat Thomas leaf monkeys en orang oetans van nabij. De ah’s en oh’s zijn niet van de lucht.
Vol indrukken en dankbaar voor deze jungle-ervaringen vervolgen we de tocht met onze bus, ons inmiddels zo vertrouwd rumah kita (maleis voor ‘ons huis’). Zo bezoeken we de bevolkingsgroepen Minangkabau en Bataks met hun eigenheid aan cultuur, eten, kleding en bouwstijl. Lopen we door een enorme, ondergrondse tunnelbunker met diverse vertrekken uit de Japanse tijd. Maken we kennis met het immense en wonderschone Tobameer waar we op een eiland overnachten. Beklimmen we een heetwaterbron. Laven we ons aan de eindeloze sawah’s met erachter bergen. Er komt geen einde aan wat er te zien valt.
In mijn ‘gewone’ flow is er nóg een onderbreking. Dat is de ervaring hoe de mensen daar naar mij kijken. Die begon al in het vliegtuig toen ik werd aangesproken in bahassa door een van de stewardessen. Verspreid over de dagen heen blijft dit terugkomen. Of ik krijg de vraag, als mensen door hebben dat ik geen bahassa spreek: “Where do you come from?” Het maakt me nieuwsgierig wat mensen dan in mij zien. Dus vraag ik twee jonge vrouwen eens terug: “What do yóu think?” “You look like a Chinese Indosesian woman. Here we call it a Chindo. And I can also see you have European blood”. Ik vraag het de andere jonge vrouw, die mij eigenlijk precies hetzelfde zegt. Hilarisch iets bekends van daar te zijn: een Chindo, een woord zo uit het leven van daar gegrepen. En tegelijk voel ik hoe deze woorden me stil zetten van binnen en verwonderen.
Deze spiegel op mijn uiterlijk -juist dáár- raakt me. De woorden voelen betekenisvol, zonder dat ik precies weet hóe. Ik vraag een briefje en schrijf ze op. De jonge vrouwen kijken glimlachend toe, zich vermoedelijk niet realiserend wat ze me zojuist gegeven hebben. Het briefje steek ik bij me: als een schat om mee naar huis te nemen en daar verder te laten bezinken.
