Onder de indruk klauteren we terug naar het huis van Ai. Buiten ploffen we neer op wat stoelen en laven ons aan een flesje water. We praten honderduit. Ai geeft me uitleg bij deze voor mij zo andere, Chinese wereld:
over de ligging van de begraafplaats (tegen een heuvel, in de zon en met uitzicht op zee), waarom er mensen op wonen en hoe het komt dat de graven nog zo goed leesbaar zijn.
Haar zus wil me morgen ook ontmoeten en met me uit lunchen. Met dit hartverwarmend vooruitzicht nemen we afscheid voor vandaag. Met mijn team struin ik nog over een pasar (Maleis voor marktje) en besluit ik dat ik hier wél een ritje in een becak (Maleis voor fietstaxi) aandurf, met Ardi naast me. Met mijn doel al in de pocket voelt dit als dolle pret en buiten spelen.
De volgende dag ontmoet ik ook haar zus Ing. Zij heeft dezelfde lange reis gemaakt uit Medan. Deze keer zitten we binnen, leuk om een Indonesisch huis van binnen te zien. En weer praten we honderduit. Ing is nog nét thuis voor ze vertrekt voor een lange reis. Naast de lunch blijkt zij meer verrassingen in petto te hebben.
Zo weet ze alles van iedereen die er begraven ligt en ziet het als haar taak om die kennis over te dragen. Waarvan akte… Want dat ene enorme, zo kleurrijke graf blijkt van mijn over-overgrootmoeder te zijn. Zomaar een bonusgraf erbij: nóg meer eigens… Én heeft ze verhalen over mijn overgrootmoeder en haar tweede man Lim (mijn stiefovergrootvader, wiens graf ik ook gevonden heb): sappig, heftig en doorspekt van Chinese cultuur.
In de lunchhoreca word ik voorgesteld aan een ander familielid, die daar eigenaar is. Op een grote ronde tafel staan ontelbaar gestapelde bordjes met allerlei lekkers voor ons klaar. Ik geniet van het vele onbekends, de ‘oer-look’ en wil zoveel mogelijk proeven. Eten met m’n handen lijkt me de enige haalbare optie (zoals ook de anderen doen). De sfeer is genoeglijk,
ik voel me zeer welkom.
Ing kent een voormalig docent Mandarijn Chinees, die bereid is de graven te vertalen. Het wat gebocheld, ouder ‘vrouwtje’ constateert dat de graven ontegenzeggelijk eigen zijn: op het graf van mijn over-overgrootmoeder leest ze de naam van mijn overgrootvader; op het graf van mijn overgrootvader die van mijn oma. Uit dankbaarheid geef ik het haar bij het afscheid wat geld: in een rode enveloppe, die ik haar discreet overhandig in onze handdruk*.
Op de derde, laatste dag gaan we opnieuw naar de graven. Aangekomen bij het graf van onze gezamenlijke voormoeder blijkt Ing die grasvrij te hebben gemaakt. In deze hitte, en wanneer dan…? We staan er samen stil, volgens Chinees gebruik met een wierrookstokje. Op het graf van mijn overgrootvader geeft ze mij -heel attent- twee wierookstokjes: voor mijn overgrootvader én overgrootmoeder (die elders begraven ligt). Wat fijn om hier nogmaals en in alle rust te zijn.
Weer thuisgekomen valt me op hoe het contact inmiddels vertrouwder is geworden. M’n ‘nichten’ vinden het leuk foto’s te zien van mijn ouders
en meer over hen te horen. Ze kijken me aan en reageren op wat zij in me zien: een Chindo (inderdaad: met “blanda” roots; Maleis voor: Nederlandse). Bij het afscheid krijg ik lekkers mee en wisselen we telefoonnummers uit. Het voelt hartverwarmend, met een vreemde combinatie van ver weg
en tóch eigen.
Ardi en ik sluiten onze dagen daar af met een bezoekje aan een onbewoond eiland, een laatste lumineus idee van Ing. Ondertussen voel ik hoe mijn innerlijk kompas zich aan het verleggen is. Steeds meer voel ik hoe warm het er is, zie ik de chaos, heb ik behoefte aan een schoon toilet en mijn eigen koffie. Het voelt goed om de reis naar huis aan te vangen.
De lange terugreis naar Medan onderbreken we met een overnachting aan het wonderschone Tobameer. Terug in mijn stamhotel in Medan heeft Indonesië nog één verrassing voor me in petto: een overweldigende, klaterende, langdurende moessonbui. Het leven staat stil… Een dierbare, oude Indische meneer resoneert in een appje mee vanuit Nederland: “afscheidstranen van een land en cultuur die je hebt teruggevonden”.
De volgende dag brengt mijn team me naar Medan airport. Het afscheid is alleszeggend over onze intense en bijzondere tijd samen. Na de korte vlucht naar Jakarta loop ik op het immense Soekarno-Hatta airport mijn laatste meters in Indonesië. Bij mijn gate zie ik andere Indo’s, een herkenbare opmaat naar Nederland. Als ik even later voel hoe het vliegtuig loskomt van de grond, weet ik één ding zeker: ik ga anders weg dan dat ik aankwam.
* Deze gewoonte heet bij Chinezen ‘angpao’.
